|
Ik ben een nieuwbouwkind. Ik ben ook een ochtendmens. Ik houd van het voorjaar. Ik houd van de jeugd. Mijn jeugd sleet ik in nieuwbouwbuurten. Fris, vers, hoopvol, beloftevol, noem het allemaal maar. In alle opzichten sta je aan het begin. Het valt niet mee te moeten erkennen dat het op z'n minst nazomer is geworden in mijn leven. Ha.
Ik stond aan het einde van de zondagmiddag in de Lisdoddelaan. Het was een prachtige namiddag. Er stond geen zucht wind, de dag zonk loom weg in een wat heiïg licht. In het westen vlamde de lucht boven het Diemerpark nog eenmaal op. Maar het was ook alsof het licht zich voor het laatst dit jaar toonde. Zo diep oranje en de wolken zo blauw-zwart.
Ik haalde mijn zoon bij een vriendje op. De laan was opgebroken. De jongens trapten nog een balletje midden op straat, terwijl de vader van het vriendje vertelde dat hij blij zou zijn wanneer het daar allemaal klaar was. Ik heb dat niet zo. Mooier dan onaf wordt het niet. Als je maar nergens op wacht. Twee van die rood-witte wegenbouwpalen vormden de goal.
Opeens kwam er een UFO door de lucht zweven. Even leek het een soort Zeppelin. Een kleine Zeppelin waarschijnlijk, maar schat de grootte van iets maar eens in wanneer er behalve een bleke regenboog verder geen referentie is. Hoe groot is een regenboog eigenlijk? En heeft de regenboog boven een nieuwbouwwijk een vaste maat?
Er kwam een tweede UFO overzeilen. Deze steeg ook al zo snel en voor zo'n windstille middag gingen ze eigenlijk ook rap voorbij. Er waren oranje vlammen onderaan de objecten te zien. We stonden in verwondering te kijken.
|
“Wat is het?” vroeg mijn zoon. “Dat weten we niet. Daarom is het een UFO.” De witte zakken, de vlammetjes, de kleur van de lucht, de ruisende stilte. Ik moest denken aan zondagmiddagen in het najaar uit mijn late jeugd. Middagen waarop me soms een woordloos gevoel van vrede bekroop. Het ging schemeren en alles stond stil. Je hoefde niets meer, alles zweeg en je kon alleen maar meezwijgen. De wind bracht je nergens, omdat die krachteloos was. Alleen hier en nu leken nog te bestaan. Alles was op zijn plek. In de verte riep een kind. Er kwamen nog meer zakken aan. Ze moesten dichtbij opgelaten zijn. Ik bedacht me dat er bij De Tronk een partytent stond en wist opeens ook dat het Allerzielen was. Ik ben gereformeerd opgevoed, het feest zit niet zo in mijn liturgisch systeem. “Allerzielen”, prevelde ik. Zou er voor iedere overleden IJburger deze middag een UFO zijn? Er wordt veel geboren, maar er wordt ook gestorven. Er leken er daarvoor toch wel wat te veel zakken over te waaien. Ik vroeg het nog, toen we naar de brug bij De Tronk waren gelopen. “Nee, nee, niet speciaal voor IJburgers. Aan wie je maar wilt denken.” Er stonden wat mensen op de brug, ze staken de vuurtjes onderaan de zakken aan. Ze klapten en juichten wanneer er weer een aarzelend opsteeg. Een enkele belandde troosteloos in het water. Mijn blik volgde een tijdje één zak, het vlammetje dartelde. En ik dacht aan haar. Nog maar een paar maanden dood. Ze was hier eenmaal geweest, maar ze kon het zich 's avonds al niet meer herinneren. |
Als een gewichtsloos vlindertje dreef ze het afgelopen voorjaar naast me omhoog, meegenomen door de wind, zoals nu de Ufo's.
Geen geheugen, geen geschiedenis, geen gewicht meer, hoe oud ze ook was. Een beetje wind was genoeg geweest. |